
Bij revisie van Caterpillar-injectoren kijken we naar meetwaarden, toleranties en specificaties.
Maar het is van belang om aandacht te hebben voor de oorzaak achter afwijkingen.
Regelmatig zien wij in de praktijk dat brandstofvervuiling een grote rol speelt.
Moderne Caterpillar-injectiesystemen werken met:
Caterpillar adviseert dat brandstof die in de tank aanwezig is en/of wordt toegevoegd moet voldoen aan ISO 4406 reinheidsniveau 18/16/13 (of schoner).
Dit is geen theoretische waarde, maar een noodzakelijke en praktische grens om schade aan gevoelige componenten tot een minimum te beperken.
ISO 4406 is de internationale standaard waarmee het aantal vaste deeltjes in brandstof wordt gemeten.
De classificatie bestaat uit drie cijfers, bijvoorbeeld zoals Caterpillar voorschrijft bij hun systemen:
18 / 16 / 13
Deze cijfers verwijzen naar het aantal deeltjes per ml brandstof in drie klassen:
| Code | Deeltjesgrootte | Indicatief aantal deeltjes p/ml |
|---|---|---|
| 18 | ≥ 4 micron | 1.300 – 2.500 |
| 16 | ≥ 6 micron | 320 – 640 |
| 13 | ≥ 14 micron | 40 – 80 |
De schaal is logaritmisch. Eén stap hoger betekent vrijwel een verdubbeling van het maximaal aantal deeltjes.
Spelingmaten in moderne injectoren bevinden zich doorgaans in de orde van enkele microns.
Deeltjes in de brandstof met dezelfde of kleinere grootte kunnen daardoor abrasieve slijtage veroorzaken.
Wanneer brandstof niet voldoet aan deze reinheidsnorm, kunnen onder andere de volgende afwijkingen optreden:
Deze afwijkingen zijn niet altijd direct goed hoorbaar, maar ze beïnvloeden wel degelijk de inspuitnauwkeurigheid en cilinderbalans. Tijdens de test en meting op onze testbank zijn deze afwijkingen al snel zichtbaar.
Water in de brandstof verlaagt bovendien het smerend vermogen en vergroot het risico op corrosie en versnelde slijtage.
Het gebruik van HVO (EN 15940) kan voordelen hebben.
HVO is een paraffinische diesel zonder FAME (vetzuurmethylesters). In tegenstelling tot standaard EN 590 diesel (die FAME-bijmenging bevat) is HVO minder hygroscopisch en daardoor minder gevoelig voor wateropname en microbiologische vervuiling.
Dat kan bijdragen aan een stabieler brandstofsysteem.
Feit blijft natuurlijk wel dat wanneer vervuiling al aanwezig is in tank, leidingen of filters, deze niet ineens weg is. Een brandstofwissel alleen lost dat niet op.
Daarom is het bij vervuilde brandstof belangrijk om het volledige brandstofsysteem te reinigen, en het probleem structureel aan te pakken.
Brandstofkeuze is dus belangrijk en kan zeker verschil maken, maar de uiteindelijke brandstofreinheid is doorslaggevend.
Hoewel ISO 4406-metingen specialistische apparatuur vereisen, zijn er praktische signalen en controles die ook zelf zijn uit te voeren:
1. Controleer filters regelmatig
Vervroegde vervuiling of ongebruikelijk veel residu kan wijzen op tankverontreiniging.
2. Inspecteer waterafscheiders
Regelmatig water aftappen vermindert corrosie-, algen- en slijtagerisico’s.
3. Controleer de tankconditie
Sludge, roest of afzettingen in opslagtanks kunnen blijvende vervuiling veroorzaken.
4. Monitor afwijkingen in motorloop
Onverklaarbare cilinderonbalans of afwijkende meetwaarden kunnen wijzen op brandstofgerelateerde oorzaken.
5. Overweeg (periodieke) brandstofanalyse
Wij kunnen middels een laboratoriumanalyse inzicht geven in het ISO 4406 reinheidsniveau, vervuiling en het watergehalte.
Bij revisie en tests van injectoren kijken wij daarom niet alleen naar de injector zelf, maar ook naar de mogelijke oorzaak van de afwijking. Met de ervaring en kennis van onze vakspecialisten kunnen we aan de hand van onze testbladen de oorzaak achterhalen, en zo de diagnose en het vinden van een structurele oplossing versnellen.
Een injector kan technisch worden hersteld, maar zonder schone brandstof blijft het systeem kwetsbaar.